HOME
Adolf Hitler
Nederlandse editie, aangevuld met een introductie, commentaren, inhoudsopgave, en het begin van het tweede deel.
Materialen ontleend aan http://www.stormfront.org/forum/showthread.php?t=93204
Het 1e deel van MK dat u in deze draad aantreft is de vertaling door Steven Barends, uitgegeven door de Uitgeversmaatschappij De Amsterdamse Keurkamer te Amsterdam, en telt dit eerste deel in boekvorm 430 pagina's die door mij in een tijdsperiode van 1 jaar in 'word' is gezet. Mocht u in dit gedigitaliseerde bestand een zetfout tegenkomen, dan is die van mijn hand. - Brama
In HTML vorm gegoten door Runemaster / Draumar.
Boeken als 'Mein Kampf', Das Kapital, en de Bijbel in het bijzonder en in het algemeen over (Nationaal-) Socialisme, het Fascisme, het Stalinisme, het Communisme, Maoisme, alsook over geloofsovertuigingen en richtingen, zoals het katholicisme, hindoeïsme, ja, eigenlijk alles wat de wereld in beweging heeft gezet, verbrand, verpulverd en daardoor gevormd heeft moet voor ieder individu vrij beschikbaar en ter inzage zijn. Vrij om te lezen, te beoordelen, en als het zonodig gewenst is moet vanuit verschillende gezichtshoeken en belevingen daar een aanvullende en/of verklarende bijlage voor kunnen worden geraadpleegd. Een zichzelf respecterende en zich democratisch noemende samenleving is dit naar zijn burgers toe verplicht. Het mag niet zo zijn dat alleen politiek onverdachte hogepriesters die behoren tot het 'uitverkoren en onbesproken volk' toegang hebben tot informatie die de wereldgeschiedenis hebben bepaald en gevormd en dat 'mindere goden' als inferieure, tweedehands burgers worden beschouwd, onwaardig om beschikbare kennis over hun eigen wereldgeschiedenis te kennen of te onderzoeken.
Is "Mein Kampf" een geheimzinnig boek vol toverformules, vol krachtige (on-)waarheden of beestachtige leugens, hoort het thuis in de categorie "In de ban van de Ring", of het geheim van "De steen der Wijzen"? Wat is de waarde van de - absoluut niet waterdichte - banvloek die over dit boekwerk is uitgesproken. De geschiedenis leert niet anders dan dat uitsluiting niet anders betekend dan censuur. WAT is het toch wat de Nederlandse burger niet mag lezen in dit ondertussen erg gedateerde boek. Is deze burger niet bij machte om zich zelf te beschermen tegen de occulte krachten die uit dit magische boekwerk opstijgen, om zelf te oordelen? Moeten rechters met behulp van wurgende wetten een manuscript verbieden en demoniseren? Wat verbergt dit manuscript? Verbergt het misschien... niets??? Is het een handige doctrinetruc? Is het in feite niets anders dan de gedachten van een oud front-soldaat met politiek-maatschappelijke kanttekeningen???? Is het misschien een los draadeindje dat mensen in staat stelt veel grotere vuiligheden los te weken en inzicht te krijgen in machtsintriges die mogelijk tot op de dag van vandaag nog steeds voortduren?? Is het een achterhaald wereldbeeld van een waanzinnige??
Was het niet in 1811 dat de (overigens Joodse) Duitse dichter Heinrich Heine in Jena de volgende woorden opschreef:
"Waar men boeken verbrandt, eindigt men met mensen te verbranden"
Met het boek Mein Kampf gebeurt eigenlijk hetzelfde als verbranden, namelijk verbannen. Met het verbranden van een boek wordt het onmogelijk gemaakt om kennis te nemen van de inhoud. De in een boek opgenomen gedachten, neergeschreven theorieën, op schrift gestelde meningen zijn definitief niet meer raadpleegbaar. Een boek verbranden of verbannen is in beide gevallen gelijk aan het onbereikbaar maken van de inhoud, het is een verbanning en waar eindigt het, waar en wanneer gaat het branden? Elk moet kennis kunnen nemen van ieder geschrift, en is dat voor mij één van de drijfveren geweest om het hier digitaal beschikbaar te maken, in een proces dat 1 jaar in beslag genomen heeft, letter voor letter overgezet in de computer. Een waardeoordeel geef ik niet, vanuit historisch oogpunt vind ik het een interessant boek, gelijk alle publicaties die te maken hebben Europese- en Wereldgeschiedenis van de afgelopen 200 jaar.
-- Brama
Oorspronkelijke was de titel van dit veel besproken boek: "Vier en een half jaar strijd tegen leugens, domheid en lafheid", een onuitsprekelijke en absoluut niet pakkende titel die door de uitgever Max Amman werd vervangen door het beter aansprekende Mein Kampf. De officiële geschiedschrijving wil ons leren dat Adolf Hitler dit boekwerk grotendeels eigenhandig en deels met ondersteuning van zijn secretaris Rudolf Hess heeft geschreven, iets wat maar ten dele waarheid is. Voor de meeste mensen zal het een nieuw gegeven zijn dat een veel groter aantal betrokkenen verantwoordelijk is voor dit manuscript. Mein Kampf is slechts deels door Hitler gedicteerd en deels aangevuld door anderen met hun eigen denkbeelden die in het ideologisch verlengde lagen en zijn grote delen herschreven en taalkundig bijgeschaafd.
Hitler zat van 11 november 1923 t/m 20 december 1924 in de gevangenis in Landsberg voor zijn aandeel in de mislukte putsch van 1923. Ongeveer vanaf juli 1924 tot het voorjaar van 1925 is gewerkt aan het eerste deel en verscheen het voor het eerst op de markt in juli 1925. In krap 14 maanden tijd werd dus een ruim 400 pagina's tellend boekwerk geschreven, gecorrigeerd, gezet en gedrukt. Een beetje journalist, schrijver of graficus weet uit ervaring wat voor een gigantische hoeveelheid werk dit is en zeker als we de grafische productiemogelijkheden van de 20er jaren bekijken, is alleen daardoor al duidelijk te maken dat het voor een enkeling een vrijwel onmogelijke taak is om zo'n omvangrijk boekwerk het licht te laten zien.
Hitler werd ondermeer bijgestaan door enkele medegevangenen, zoals Emil Maurice, zijn oppasser en chauffeur en Rudolf Hess die de rol van secretaris op zich nam. Ook partijgenoot Ernst ("Putzi") Hanfstaengl werd betrokken bij het manuscript en samen met de hyronymietenpater Bernhard Stempfle nam deze de redactie ter hand en werden hele delen van het manuscript door hen herschreven en bijgevijld. Ook Hitler's lievelingsnicht Geli Raubal heeft een actieve rol gespeelt in de totstandkoming van het boek. Minder bekend is de grote en directe invloed van Dr. Karl Haushofer, de befaamde Duitse Geopoliticus. Veel van zijn denkbeelden staan woordelijk vermeld in het boek en ook de denkbeelden van de Amerikaanse autofabrikant Henri Ford zijn soms letterlijk verwoord in Mein Kampf en hebben Max Amman en Dietrich Eckart een grote redigerende rol gespeeld.
Het boek op zich zal voor veel mensen een teleurstelling blijken en menigeen die kans gezien heeft het boek soms tegen hoge kosten aan te schaffen via de seculiere markt zal na een tiental pagina's het boek teleurgesteld aan de kant leggen. De schrijfwijze is sterk gedateerd, de schrijfstijl en taalbeleving verraad duidelijk zijn laat negentiende-eeuwse oorsprong en zonder diepgaande achtergrond informatie is het een gortdroog en saai boekwerk. Is dit nu het vermaledijde en verboden boek?
Om op zijn minst de achtergronden een beetje te kunnen begrijpen is het nodig om de tijd waarin het boek geschreven is een beetje aan te voelen. Het is de tijd waarin Duitsland gebukt gaat onder het dictaat van "Versailles" en waardoor vele miljoenen Duitsers te lijden hebben onder de opgelegde bepalingen en vele miljoenen pure honger lijden.
Het Verdrag van Versailles omvat 440 artikelen. De voornaamste punten zijn:
Duitsland moet:
Elzas-Lotheringen aan Frankrijk afstaan, de kolenmijnen in het Saargebied aan Frankrijk afstaan, Moresnet, Eupen, Malmédy en St. Vith aan België afstaan, het grootste deel van West-Pruisen en bijna de gehele provincie Posen aan de nieuwe staat Polen afstaan, alle koloniën afstaan: Togo en Kameroen, de gebieden in Oost- en Zuidwest-Afrika, enkele eilanden in de Stille Oceaan en bezittingen in China. Alle Duitse goederen en bezittingen in het buitenland worden verbeurd verklaard, alle oorlogsmateriaal aan de geallieerden afstaan.
De algemene dienstplicht in Duitsland wordt afgeschaft en de generale legerstaf wordt opgeheven, mag het geen tanks, vliegtuigen, onderzeeboten, grote oorlogsschepen en gifgas meer hebben. Mag het gedurende 15 jaar geen troepen stationeren op de linker Rijnoever en in een strook van 50 km op de rechter Rijnoever.
De totale omvang van het Duitse landleger mag niet groter zijn dan 100.000 man. De Duitse marine mag niet meer dan 15.000 manschappen hebben, mag niet meer dan 4.000 officieren hebben. Duitsland mag geen deel uitmaken van de te vormen Volkenbond.
Oostenrijk moet Zuid-Tirol aan Italië afstaan. Duitsland moet alle handelsschepen met een laadvermogen boven 1600 Brt aan de geallieerden afstaan, plus de helft van alle handelsschepen van 1000 tot 1600 Brt. Bovendien moet éénvierde deel van de visserijvloot en tweevijfde deel van de binnenvaartschepen worden afgestaan. Duitsland dient verder af te staan grote aantallen machines en bouwmaterialen, treinen en vrachtauto's. Duitsland dient jarenlang bepaalde hoeveelheden kolen en chemicaliën, verfstoffen en brandstoffen te leveren. Alle Duitse onderzeese telegraafkabels worden verbeurd verklaard.
Duitsland dient 20 miljard goudmark te betalen, wat tot betalingsverplichtingen leidt tot ver in de jaren 80 en door inflatie tot ver in onze huidige jaartelling.
Engeland krijgt Irak, Palestina en Trans-Jordanië; Frankrijk krijgt Syrië en Libanon.
Op 21 juni 1919, een week voor de ondertekening van het verdrag, schreef de Nederlandse (socialistische) krant Het Volk:
Een diepe en bittere teleurstelling, een ontgoocheling die men voelt als een ramp is deze vrede voor allen, die tijdens den oorlog de leuzen der Entente (de geallieerden) als levende idealen hebben liefgehad. Het vredestraktaat legt het statuut vast van het verval van Europa, van zijn teruggang tot een lagere beschavingsgraad. Het grootste volk van het vasteland wordt geketend en tot dwangarbeid gedreven. Vernedering en verbittering vallen Duitsland ten deel. Wraakzucht hier, overmoed, machtsbegeerte, roekeloosheid daar, zijn de nieuwe 'beschavingselementen' door het vredestraktaat gewekt.
Zoals gezegd is het "Toverboek" een vrij saai stuk leesvoer. Met veel enthousiasme wordt er aan begonnen, maar al na een paar pagina's zakt bij de meesten het elan al snel naar ongekende diepten. Om het een en ander helemaal tot het eind te kunnen lezen, of op zijn minst tot de helft ervan is enige achtergrondkennis onontbeerlijk. Heeft u al enig speur en zoekwerk verricht over de mensen die hun naam genoemd weten in de eerste paar alinea's die in de eerste bijdrage genoemd zijn? De Neurenbergse boekhandelaar Johannes Palm, of Leo Schlageter? Weet u al wat hun rol is in de Duitse geschiedenis en waarom zij genoemd zijn? Al iets opgezocht over de achtergronden van de Duits-Franse oorlog van 1870 - 1871, waarom aangevangen?
U bent niet de enige die nou niet echt staat te trappelen om deze droge (ondertussen erg gedateerde) kost tot zich te nemen. Wilhelmina, onze 'Keunegin' gedurende de donkere dagen in de veertiger jaren van de vorige eeuw, verordonneerde haar ministers om Mein Kampf te lezen, zoals blijkt uit het navolgende citaat:
"... het regime dat in Duitsland de macht gegrepen had, verfoeide zij hartgrondig. Zelf had zij niet de tijd of de lust om de ter zake doende literatuur over het Nationaal-Socialisme te bestuderen, maar zij liet zich wel door een adjudant of door haar lectrice informeren. De lectuur van Hitlers Mein Kampf vond zij voor haar ministers van Buitenlandse Zaken noodzakelijk. Toen haar in 1937 bleek dat minister J.A.N. Patijn het boek niet kende, kreeg hij daarover heel wat te horen....."
(Pagina 85, uit het boek Wilhelmina, Krijgshaftig in vormeloze jas van Cees Fasseur, Uitgeverij Balans, februari 2001.)
Persoonlijk vind ik het voorstel van onze staatsrechtdeskundige, Dhr. Erik Jurgens niet eens zo heel beroerd. Eigenlijk zou ik het toejuichen om het boek stap voor stap pagina voor pagina uitvoerig te voorzien van kanttekeningen en toelichtingen, alleen op die wijze zal de burger zich pas goed een voorstelling kunnen maken van het tijdvak waarin het boek geschreven is. Ik neem bij deze alvast een voorschot en probeer een zo'n beknopt mogelijke inleiding te geven naar de van oorsprong zuiver technisch gezien Engels - Duitse oorlog die later geëscaleerd is tot WOII.
Het oude Keizerrijk Duitsland was na het einde van de Great War feitelijk overgeleverd aan de goedwillendheid en genade van de overwinnende machten, met name Engeland, Frankrijk en Amerika. De overwinnaars waren bepaald niet mild in hun oordeel en behandeling en meenden het verslagen Duitse Rijk economisch zeer zwaar te moeten straffen. Een meerdere generaties overstijgende astronomische 'erfschuld' werd het Duitse volk opgelegd, en leende Amerika tegen geldende rente het geld voor de rente en aflossing hiervan aan de verslagen vijand. Tegelijkertijd werd Duitsland alle mogelijke bronnen van inkomsten ontnomen. Industriegebieden van levensbelang voor de Duitse natie werden onteigend en toegevoegd aan het grondgebied van de overwinnaars en hun bondgenoten, haar export werd door stringente beperkingen lamgelegd, de complete infrastructuur van het land werd ontmanteld en als krijgsbuit gevorderd. Kortom, het werd de Duitse bevolking nagenoeg onmogelijk gemaakt zich ook maar fractie te herstellen van die bloederige en verschrikkelijke oorlog.
Het gevolg was bittere armoede, constante hongersnood, faillissementen volgden elkaar in ongekend tempo op, fabrieken lagen stil, ontelbare zelfmoorden, heel het land was gebroken en verkeerde in een staat van apathie. De Duitsers waren en voelden zich door de opgelegde vredesbepalingen van 1919 'Ehrlos, Wehrlos und Herlos ' - zonder eer, weerloos en zonder verdediging. De Duitse natie werd in die tijd dan ook uitgebeeld als Duitse maagd die gekneveld overgeleverd was aan de genade van de overwinnaars. Winston Churchill sprak toen al de profetische woorden dat de opgelegde vrede van Versailles slechts als een gevechtspauze beschouwd diende te worden en onherroepelijk en binnen afzienbare tijd zou leiden tot voortzetting van de gevechtshandelingen. Nadat de Duitsland zich met heel kleine en moeizame stapjes zo goed en zo kwaad als het kon herstelde van de economische verwurging, brak de grote depressie van de 20-er jaren aan
Onderstaand citeer ik een gedeelte uit hoofdstuk 6, pagina's 190 en 191 van het boek: Wie financierde Hitler, van James en Suzanne Pool:
In het voorjaar van 1929 ondergingen de prijzen van de Duitse landbouwproducten een drastische verlaging waardoor zowel de boeren als de grootgrondbezitters zwaar werden getroffen. Onder de landbouwbevolking begon gebrek te heersen; veel boeren konden het niet meer bolwerken en werden verdreven uit hun boerderijen en woningen, waar zij de pacht, huur en hypotheekaflossingen niet meer konden opbrengen. Dit was een van de eerste symptomen van de naderende grote economische wereldcrisis. Naarmate de economische rampspoed zich verder over het land ging verbreiden kwam de tijd nabij dat Hitler, die 'profeet van het noodlot', gelijk ging krijgen.
In oktober 1929 kwam het tot een ineenstorting van de koersen op de Newyorkse effectenbeurs. Dat was het begin van de Grote Depressie, die zich binnen enkele maanden over alle werelddelen zou verspreiden. De krach aan de beurs in Wall Street betekende het eind van de Amerikaanse leningen aan Duitsland en dat was tevens het eind van de toevloed aan vreemde valuta, waarmee Duitsland zijn schulden had kunnen betalen. Tegen het eind van dat jaar ging de economische crisis zich in alle sectoren van de Duitse samenleving doen voelen. Overigens was er reeds in de herfst van 1928 reden tot bezorgdheid over de Duitse economie geweest. Maar ofschoon de situatie in de loop van het jaar 1929 voortdurend benarder was geworden kwamen de meeste mensen eerst in 1930 tot het besef dat het land opnieuw aan de rand van een afgrond stond.
Een van de beste maatstaven voor de sociale gevolgen van de depressie is de ontwikkeling van de werkloosheid. Het aantal geregistreerde werklozen in Duitsland bedroeg in september 1929 meer dan een miljoen, namelijk 1.320.000 en bleef daarna voortdurend stijgen, eerst tot drie miljoen in september 1930 en vervolgens tot recordaantallen, die in september 1931 tot 4.350.000 waren geklommen en in september 1932 zelfs tot 5.102.000. In de eerste twee maanden van 1932 en opnieuw in de loop van 1933 overschreden de werkeloosheidscijfers zelfs de grens van zes miljoen. (Het feitelijke aantal werkelozen lag overigens veel hoger dan de cijfers van de 'geregistreerde' werklozen aangaven omdat daarbij niet degenen waren meegeteld die zich om de een of andere reden niet hadden laten registreren of die bijvoorbeeld halve dagen werkten.)
Allan Bullock heeft daarover in zijn biografie van Hitler opgemerkt dat men voor een goed begrip de bovengenoemde aantallen moet vertalen in termen van op straathoeken staande, tot nietsdoen gedoemde arbeiders, van huizen zonder voedsel en verwarming, van schoolverlatende kinderen zonder enige kans op werk, om aldus iets te verstaan van de diepe menselijke angst en verbittering, die in die dagen gingen heersen bij miljoenen Duitse werkende mannen en vrouwen.
Duidelijk is wel dat Hitler beter schreef dan Marx, aldus journalist Herbert Blankesteijn. Hij schreef 4 jaar geleden (21-10-1999) in Intermediair een bijdrage naar aanleiding van het feit dat Mein Kampf gewoon te koop bleek te zijn bij het Duitse Internetboekhandel Bertelsmann.
Herbert Blankesteijn:
"Ik verbaasde me er vooral over dat je voor Mein Kampf zou moeten betalen. Zulke oude boeken zijn doorgaans rechtenvrij en worden altijd wel door iemand gescand en gratis op het Web gezet. Dus heb ik in een zoekmachine de titel ingetikt en ja hoor, een rechtsradicale site bood het hele boek aan, naar keuze in het Duits of in een Engelse vertaling.
Ronald Plasterk heeft er als columnist van Intermediair meermalen zijn verbazing en boosheid over uitgesproken dat MK in Nederland niet mag worden verkocht. Ik ben het hartgrondig met hem eens. Dit boek bevat het gedachtegoed van een van de grootste misdadigers van de eeuw. Het is het behang van de Tweede Wereldoorlog. Als je de geschiedenis wilt begrijpen moet je MK gelezen hebben, net zo goed als je de Bijbel en Das Kapital gelezen moet hebben. Het verbod op verkoop is hiervoor een belemmering, en het vergroot de kans dat de geschiedenis zich herhaalt.
Mijn nieuwsgierigheid was dus groot. Wat schrijft Hitler? Hoe schrijft hij? Ik had het nooit mogen weten, en nu had ik opeens de complete tekst.
MK zit vol verrassingen. De grootste was voor mij wel dat Adolf Hitler aanvankelijk geen antisemiet was: op grond van de 'menselijke verdraagzaamheid' was hij tegen vervolging op grond van godsdienst. De toon van de antisemitische Weense pers vond hij 'het culturele erfgoed van een groot volk onwaardig', schrijft hij. Mich bedrückte die Erinnerung an gewisse Vorgänge des Mittelalters, die ich nicht gerne wiederholt sehen wollte.
En, zeer opmerkelijk en actueel: 'Ik werd in deze mening gesterkt door oneindig veel waardiger wijze waarop de werkelijk grote pers op al deze aanvallen antwoordde, of, wat me nog prijzenswaardiger leek, er zelfs niet op reageerde, maar ze eenvoudig doodzweeg.' Zo moet de pers extreem-rechts dus aanpakken; Hitler zegt het zelf. En zo verkondigt hij wel meer verstandige meningen, bijvoorbeeld over het gedrag en het niveau van politici in een democratie en over de persoonlijke verantwoordelijkheid (of het gebrek daaraan) van ambtenaren.
Hoe werd Hitler dan toch antisemiet? De uitleg daarover valt tegen. Het komt erop neer dat, toen hij goed keek, de Joden overal bleken te zitten, vooral onder de door hem verachte sociaaldemocraten. En dat is symptomatisch: MK schiet als het om logica gaat ernstig tekort. Doordat het in de ik-vorm is geschreven leest het makkelijker dan bijvoorbeeld Das Kapital, maar het zou een lachwekkend boek zijn geweest, categorie Wachttoren, als de schrijver niet zo opvallend carrière had gemaakt.
Het verbod op verkoop van Mein Kampf is nu op slag een dode letter. Het laatste vervelende gevolg is dat we, om het boek te downloaden, naar de neofascistische site www.crusader.net moeten. Dus als Simon Wiesenthal, Oorlogsdocumentatie of de Anne Frank Stichting verstandig zijn, maken ze de tekst snel op hun eigen site beschikbaar."
In de discussie op het forum van de Volkskrant zijn de volgende reacties te lezen:
Sander van Leeuwen:
Ik ben het er niet mee eens dat de geschriften uit het heden voldoende zijn om alle lessen uit het verleden te leren. De geschriften over die geschiedenis, die recent geschreven zijn, zijn geschreven door de overwinnaars. De tegenstanders van Hitler. Ze zijn een interpretatie van feiten door die mensen.
Ik denk dat het verbod op dit boek een onderdeel is van een stukje ontkenning. De ontkenning dat Hitler naast een monsterlijk megalomaan en psychopaat, ook een zeer intelligent mens was. En dat hij zeer eloquent was in het verwoorden van een gevoel van onvrede en een gevoel van onmacht onder zijn volk wist aan te spreken.
Als hij dat allemaal niet was geweest, had hij het Duitse volk niet achter zich gekregen. Dan hadden we geen tweede wereldoorlog en geen massale jodenvervolging en moord gehad. Juist daarom, denk ik, is het goed om eens te lezen wat hij schreef, eens goed te luisteren naar zijn toespraken en te kijken hoe het heeft kunnen gebeuren. Begrijpen hoe zijn boodschap het volk zo heeft kunnen aanspreken.
We zien nu namelijk een tendens in Europa naar een steeds hatelijkere houding tegenover de "fundamentele islamisten" en meer van dat soort termen, die toch altijd richten op moslims. En langzaam zien we een veralgemenisering ontstaan waar alles waar moslim of islam uit klinkt, gelinkt wordt aan terrorisme en haat.
Als we niet kunnen lezen en horen wat Hitler destijds heeft gezegd en geschreven om tot jodenhaat en ultra-nationalisme aan te zetten, hoe kunnen we dan zeker weten dat wat nu gezegd en geschreven wordt in veel kringen in het westen, tegen de moslim staten en indirect tegen moslims in het algemeen?
Als we echt willen leren uit de geschiedenis moeten we ophouden met ontkennen dat wat Hitler gedaan heeft, en wat hij zijn volk heeft kunnen laten doen, in andere context weer kan gebeuren. Met weer mensen die mooie woorden spreken die slechts aanzetten tot haat en uiteindelijk oorlog.
Misschien zijn we al te laat. Net als de wereld destijds ook te laat was met inzien hoe gevaarlijk de situatie al was. Omdat ze in ontkenning zaten en dachten dat het wel los zou lopen en de vrede bewaard kon worden.
Marcel Stoop:
Is "Het rode Boekje" van Mao of "Das Kapital" van Marx ook verboden? Zo veel ik weet niet.
Een ieder weet wat voor een onheil die beide geschriften voor miljoenen mensen gebracht hebben.
Het verbieden van "mein Kampf" ruikt naar eenzijdigheid: Rechtsdictatoriale boeken verbieden, Linksdictatoriale Boeken dulden.
G. Groothedde:
Heel toevallig heb ik Mein Kampf net drie weken geleden ontvangen, nadat ik hem heel eenvoudig via het internet uit de VS had besteld. Het verbod op dit boek is dus al even zinloos als ridicuul: een ieder die het wenst te hebben kan er doodeenvoudig aan komen. Daarnaast is het ronduit belachelijk dat het boek ooit verboden is, ik maak namelijk zelf wel uit wat ik wens te lezen, dat hoeft de overheid niet voor mij te doen.
Ik moet trouwens zeggen dat het een buitengewoon interessant boek is om te lezen. De lezer kan door het lezen van dit boek zelf zijn conclusies trekken en zijn mening vormen over de denkwereld van de persoon Adolf Hitler en is nu niet meer afhankelijk van politiek correcte 'deskundigen' die voor deze personen de conclusies trekken.
Mein Kampf is een onmisbare historische bron die vrij voor iedereen te verkrijgen zou moeten zijn.
Van http://rejo.zenger.nl/misc/mein-kampf.php
Mein Kampf für Mein Kampf
Verboden boeken kennen we in Nederland gelukkig niet. Ook Mein Kampf is niet verboden, maar de Nederlandse Staat meent er het auteursrecht op te hebben en heeft daarmee het herdrukken van het boek tot nu toe verboden. De verkoop van het boek, ook tweedehands, is eveneens verboden. Een exemplaar van het boek bezitten of uitlenen is echter geen enkel punt. Dat vermeende verbod op het boek zorgt er echter voor dat de discussie over Mein Kampf vrijwel altijd over de juridische status van het boek gaat in plaats van daar waar de discussie eigenlijk over zou moeten gaan: de inhoud van Mein Kampf en de daar aan gerelateerde onderwerpen. Om de discussie daar terug te brengen zou het verbod op herpublicatie moeten worden herzien.
De angst dat een herpublicatie tot hernieuwde interesse in Hitlers gedachtegoed zou opleveren lijkt ongegrond te zijn. Die mensen die geïnteresseerd zijn in het boek, hebben zich hoogstwaarschijnlijk al lang legaal toegang verschaft tot het boek. In Amerika kan het boek vrij worden verkocht omdat men daar blijkbaar een andere waarde aan de persvrijheid hecht dan in Nederland. Via online winkels als Amazon is het dan ook mogelijk om in die landen waar het boek verboden is, een Engelstalige editie ervan aan te schaffen. Om diezelfde reden kunnen diverse websites, die vanuit bijvoorbeeld Amerika opereren, zoals het nationalistisch georiënteerde Stormfront, zonder meer een elektronische kopie ervan aanbieden. Maar ook in Nederland is het boek zonder problemen beschikbaar. Behalve dat het bezit en uitlenen ervan geen probleem is, kan men in iedere grotere bibliotheek terecht. De bibliotheken met exemplaren, zoals de Openbare Bibliotheek in Rotterdam, lenen deze exemplaren niet uit maar bieden ze wel ter inzage aan. Alleen het verveelvoudigen en verkopen van Mein Kampf is niet toegestaan.
Het opheffen van het verbod op herpublicatie brengt de discussie terug op het eigenlijke onderwerp. Het zou kunnen bijdragen in een beter begrip van wat er destijds in Duitsland gebeurde en het voorkomen van een herhaling ervan. De inhoud van het boek en het boek zelf kunnen uitstekend dienen om te leren van de geschiedenis. De logica is bij vlagen ver te zoeken in Mein Kampf. Dat is iets wat nog steeds aan de orde van de dag is bij enkele hedendaagse politici. Het houdt ons een spiegel voor op die momenten dat we dreigen te vallen voor de holle retoriek van een welbespraakt politicus of zijn boeken.
Daarnaast zou een publicatie het gemakkelijker maken de mythevorming rond het boek te ontkrachten. Het boek wordt vaak als gevaarlijk aangezien omdat iedereen het erover heeft, maar vrijwel niemand het boek ook alleen maar heeft ingezien. Diegenen die een eenvoudig verteerbaar boek met een makkelijk te behappen theorie verwachten, komen bedrogen uit. Het boek is allerminst gemakkelijk te lezen propaganda. Het boek is geen literair hoogstandje, het vervalt regelmatig in herhaling en is net als veel ideeën van Hitler bombastisch te noemen. Het zou ook de mythevorming kunnen doorbreken omdat eveneens in het geval van Mein Kampf het vermeende verbod op het boekde aantrekkingskracht ervan alleen maar vergroot.
Een herpublicatie dient overigens met de nodige omzichtigheid te gebeuren. In de eerste plaats meent de Nederlandse Staat aanspraak te kunnen maken op het auteursrecht en als gevolg daarvan zou zij mogelijk een herpublicatie kunnen tegenhouden. Maar ook de Deelstaat Beieren geen bezwaar tegen een herpublicatie hebben, zij is immers de auteursrechthebbende van de originele, onvertaalde, tekst. De kans dat dat gebeurt is niet zeer groot, maar zeker niet afwezig. Minder dan 10 jaar geleden is er in Groot-Brittannië een "wetenschappelijk geannoteerde" versie van het boek verschenen bij uitgeverij Pimlico in Londen. Deze editie heeft een uitgebreide inleiding over de achtergronden van Mein Kampf en de publicatie ervan en is voorzien van voetnoten. Het is dan ook te verwachten dat de Deelstaat Beieren ook geen bezwaar zou hebben tegen een herpublicatie van Mein Kampf in Nederland, mits "wetenschappelijk geannoteerd". In Nederland zijn de verkopers van oude exemplaren nooit aangepakt op grond van een schending van het auteursrecht, maar bijna altijd op grond van het verspreiden van discriminerende of beledigende uitlatingen die mogelijk aanzetten tot rassenhaat. Met een "wetenschappelijk geannoteerd" publicatie zou ook mogelijk dat argument vervallen.
Door een herpublicatie van Mein Kampf zouden de discussies weer over de inhoud van het boek en aangrenzende onderwerpen kunnen gaan, in plaats van over de juridische status van het boek. Tevens zou mythevorming bestreden kunnen worden. Die herpublicatie zou zo nodig op non-profit basis moeten gebeuren, zodat de publicist ervan niet beschuldigd kan worden dat het voor geldelijk gewin over lijken gaat.
Centrum Informatie en Documentatie Israel > CIDI in de media 2003 / NIW 31 oktober 2003
Bron: http://www.cidi.nl/media/2003/niw.311003.html
Heruitgave Mein Kampf moet mogelijk zijn
Ronny Naftaniel
Onorthodoxe voorstellen roepen altijd weerstand op. Dat gebeurde ook vorige week, toen het Eerste Kamerlid van de PvdA, Erik Jurgens in een artikel in de Volkskrant een lans brak voor het in Nederland heruitgeven van het boek Mein Kampf. De auteursrechten van dit noodlottige geschrift berusten niet bij de nazaten - voorzover aanwezig - van Adolf Hitler, maar bij de Staat der Nederlanden. Op grond hiervan kan de regering ingrijpen als neonazi's het boek opnieuw op de markt willen brengen.Tot dusverre heeft dit een heruitgave in Nederland (niet in Vlaanderen) tegengehouden. Jurgens wil nu het roer omgooien en pleit ervoor dat de staat der Nederlanden zelf de publicatie van het boek, in een geannoteerde versie, ter hand neemt. Ik ben het in grote lijnen met Jurgens eens.
Mein Kampf is een vrijwel onleesbaar geschrift vol met persoonlijke frustraties van de auteur. De afschuwelijke "waarde" van het boek is, dat Hitler zo'n tien jaar voordat hij aan de macht kwam op duivelse wijze beschreef wat er volgens hem met de Joden moest gebeuren. Indertijd geloofden velen, dat het zo'n vaart niet zou lopen. Ook de Duitse Joden niet, totdat het te laat was. Een "kale" heruitgave zal alleen een handvol neonazi's bevredigen, maar van een educatief verantwoorde, geannoteerde versie zal een krachtige waarschuwende werking kunnen uitgaan. We zijn nu drie generaties na de Tweede Wereldoorlog. De meeste jongeren weten nauwelijks wat Hitler op zijn kerfstok had en hoe hij aan de macht kwam. Mein Kampf, voorzien van een voorwoord dat verklaart hoe Hitler zijn verwerpelijke ideeën in de praktijk bracht en hoe weinig de wereld ertegen deed en voorts uitgerust is met een illustratief notenapparaat, kan een impuls geven aan de strijd tegen het hedendaagse antisemitisme.
Laten we niet vergeten, dat er momenteel in Europa groepen Arabische jongeren zijn, die weer schreeuwen dat "Joden dood moeten". De kreet "Hamas, Hamas, Joden aan het gas" is in sommige straten in Amsterdam tot de hoogste wijsheid verheven. Sommigen vertikken het lessen te volgen over de Shoa en terroriseren leraren die toch een poging hiertoe doen. In de Arabische landen en ook in Europa komt de eeuwenoude complottheorie weer op. Joden zouden aan de touwtjes in Washington trekken en de wereldpolitiek naar hun hand zetten. Het krachtige Amerikaanse optreden tegen het Islamitisch terrorisme zou georkestreerd worden door de Joodse lobby. Vorige week nog kreeg op de Islamitische topconferentie in Maleisië, de Maleisische premier Mahathir Mohammed, een staande ovatie toe hij zei: " De Joden heersen over de wereld per volmacht. Ze ronselen anderen om voor hen te vechten en te sterven." De Egyptische minister van Buitenlandse Zaken, Achmed Maher, prees de toespraak door te zeggen dat Mahathir Mohammed de spijker op de kop had geslagen. Ook Hitler geloofde in de complottheorie. Hij zag "de Joodse economische en politieke macht" als het grootste beletsel om zijn territoriale expansiedrift te bevredigen.
Het kan zeker geen kwaad om thans in Nederland op de meest indringende wijze duidelijk te maken hoe noodlottig zijn visie was. Overigens zou het beter zijn zo'n geannoteerde heruitgave niet door de overheid te laten doen. Dat is te veel eer voor massamoordenaar Hitler. Beter zou het zijn, als de regering een geschikte particuliere uitgever zoekt en pas vergunning tot publicatie geeft na zekerheid te hebben verkregen, dat de toelichtingen een educatief doel dienen.
Critici zullen toch nog angst hebben dat de Nederlandse versie van Mein Kampf misbruikt zal worden door neonazi's . Dat is evenwel onaannemelijk, omdat het boek in België te verkrijgen is en te downloaden valt via Internet. Bovendien is de verkoop van de originele versie - anders dan Jurgens stelt - wel degelijk verboden op grond van artikel 137d W.v.Str. Enige jaren geleden werd een marktkoopman op het Waterlooplein veroordeeld voor het verkopen van een oud-Duitse versie van Mein Kampf.
Tot slot geldt nog een belangrijk argument om nu te beginnen met publicatie van een geannoteerde versie. In 2015 vervallen de auteursrechten op het boek. Dan is iedereen vrij deze perfide lectuur op geheel eigen wijze uit te geven. Je kan dit moment beter voor zijn door, zo lang het nog kan, de geschiedenis op een verantwoorde wijze zelf aan het woord te laten.
Adolf Hitlers Mein Kampf. Geschiedenis - Fragmenten - Commentaren
Bron: http://www.histocasa.nl/recensies/7022003129.shtml
Vooreerst de succesvolle studie van Werner Maser, waarvan de eerste druk al in 1966 verscheen. Herdrukken en herwerkingen volgden in 1974,1976,1981,1983,1995 en de Nederlandse vertaling in 1998. Het boek "Mein Kampf" lag aan de basis van veel ellende. Er werden reusachtige oplagen van verkocht, maar het werd weinig gelezen, zodat men ook weinig rekening hield met wat Hitler allemaal beloofde te gaan doen. Zelfs zijn topmedewerkers Goering en Goebbels gaven toe dat ze het niet gelezen hadden.
Hitler begon het te schrijven toen hij, na de mislukte staatsgreep van 8-9 november 1923, al op 11 november in de gevangenis belandde, in Landsberg aan de Lech, helemaal in het zuiden van Beieren, ten zuiden van Augsburg en München. Eigenlijk dicteerde hij het en moest Hess alles opschrijven. Hitler vond spreken efficiënter dan schrijven, maar vergat dat als Hess het noteerde, dit ook gebeurde zonder de kracht van zijn overweldigende stem.
Op 20 december 1924 mocht Hitler zijn comfortabele gevangenis voortijdig verlaten, na "een jaar universitaire opleiding op staatskosten", zoals hij het verblijf daar noemde. Het manuscript voor "Mein Kampf" was toen bijna voltooid. Op 18 juli 1925 werd het eerste deel gepubliceerd, met als titel "Een afrekening" en overwegend autobiografisch. Deel II, "De nationaal-socialistische beweging", met instructies voor zijn partij en zijn land, bereikte de boekhandel in december 1926.
De lectuur van "Mein Kampf" zelf is niet de meest verheffende, maar zoals gezegd werd het bezit ervan een must in de nazi-tijd, toen het boek de bestseller was. Het autobiografische deel valt nog mee, maar het verhaal over de "bekering" tot het anti-marxisme en nog meer tot het antisemitisme is minder fraai. Hitlers overtuiging dat joden synoniem waren met "parasieten, bacillen, bloedzuigers", die uitgeroeid moesten worden, wijst nog niet op een vast omlijnd plan en zijn besluit om politicus te worden evenmin. Maar ze leiden tot het noodlottige wereldbeeld van Hitler : het verraad van Versailles ongedaan maken, Lebensraum veroveren in het Oosten, marxisme en jodendom vernietigen, cultuur gelijk schakelen met ariër zijn, de massa's beschouwen als lichtgelovig, niet geïnteresseerd in genuanceerde waarheden, niet in staat te onderscheiden wie gelijk en wie ongelijk heeft, mits je eindeloos bepaalde stellingen of leugens blijft herhalen.
Maser beschrijft de ontstaansgeschiedenis van "Mein Kampf", de vele drukken en herdrukken, de perceptie in binnen- en buitenland, de stijl, structuur, de oeverloze woordenstroom, de geestelijke bronnen van autodidact Hitler. Hij wijst ook op de gevaren en de destructieve plannen die erin zaten en die Hitler nadien, in zijn toenemende sluwheid en demagogie, nooit meer zo openlijk en zwart op wit zou verkondigen. Bij de citaten voegt hij telkens zijn kritische commentaar. En voortdurend corrigeert hij Hitler, wanneer deze zijn jeugd of prestaties onjuist voorstelt. In de bijlagen zitten enkele brieven aan en van Hitler en een chronologisch overzicht van internationale conferenties, besluiten en gevolgen voor de Weimarrepubliek in de periode van eind 1923 tot eind 1926. Hier horen o.a. bij : het Dawesplan, de conferentie van Locarno, de heropname van Duitsland in de Volkenbond ; dit laatste gebeurde op 8 september 1926, met algemeenheid van stemmen! Het boek eindigt met een indrukwekkend notenapparaat van 71 pagina's, de originele bibliografie van Maser (16 p.), het niet vertaalde en integraal overgenomen personen- en zakenregister van de Duitse uitgave van Mein Kampf (17 p.) en een personenregister bij Masers boek zelf. Wie ooit "Mein Kampf" volledig wil lezen, heeft er alle belang bij dit standaardwerk van Maser ernaast te leggen voor nuanceringen en correcties.
Bron: http://www.stormfront.org/forum/showpost.php?p=1122920&postcount=77
Een interessante poging Rebirth, om Mein Kampf kritisch te analyseren. Jij bent beslist niet de enige die deze (en andere) vragen en meningen over Hitler's boek heeft. Daarom kan enige toelichting op enkele punten wellicht verhelderend zijn.
Quote:
|
Originally Posted by Rebirth Beste Brama, |
Het boek was geen studie, maar bedoeld voor de grote massa van
Duitse mensen. Veel zaken uit die tijd waren bij het volk bekend en
behoefden nauwelijks bewijs.
Quote:
|
Want stel nu dat het waar is dat joden toentertijd in relatieve hoge mate waren vertegenwoordigd in de sociaal-democratie en in de pers. Stel dat zijn persoonlijke ervaringen met Joden ook kloppen dat ze gladde praters zijn die de dag nadat je hen lijkt te hebben overtuigd als een blad aan een kunnen omdraaien. Dan moeten we ons wel realiseren wat daar de oorzaak van kan zijn. En vooral Hitler had dat moeten doen, want de kracht van zijn analyses ligt nu juist zoals hij zelf zegt niet in het veroordelen van het volk maar in het achterhalen van de oorzaken van hun gedrag. Dat had hij dan ook tav de Joden moeten doen en daar vind ik in Mein Kampf niets over. |
Hitler had niet de illusie om door een analyse van de oorzaken het
joodse volk te kunnen genezen van haar in zijn ogen negatieve
eigenschappen
Quote:
|
In feite verwijt hij de joden dat te zijn geworden wat hij zelf van het Germaanse volk wil maken. Namelijk doorwinterde Nationalisten met een vechtersmentaliteit die hun vechtstijl aanpassen aan de omgeving waarin zij zich bevinden. Zijn Jodenhaat is dus een pot verwijt de ketel verhaal en als die vechtersmentaliteit van de Joden al overerfbaar is dan heeft hij er zelf ook iets van geerfd. |
Hitler betwistte niet het recht van het joodse volk te strijden
voor het primaat over andere volkeren. Hij vond dat ieder volk dat
van nature deed maar wilde voorkomen dat het Duitse volk daarbij
het onderspit zou delven. Zijn punt was dat er een voortdurende
strijd (vijandschap) tussen de volkeren heerste, waaruit de
sterkste (in zijn ogen meest raszuivere) als winnaar tevoorschijn
zou komen. Hij was van mening dat het Duitse volk raciaal,
economisch en moreel te gronde zou gaan als de joden de overhand
zouden krijgen. Hij geloofde dat nietsdoen automatisch tot joodse
hegemonie zou leiden.
Quote:
|
Idem, als hij de joden verwijt een splijtzwam der volken te zijn, terwijl hij zelf wil dat de Duisters zich van Oostenrijk afscheiden. |
Oostenrijk was een maaksel van Versailles. De Oostenrijkers waren
Duitsers, die niets anders wilden dan tot Duitsland behoren. Hitler
zelf was 'Oostenrijker' en bij het referendum van de 'Anschluss'
bleek 97% van de 'Oostenrijkers' bij Duitsland te willen horen.
Daarmee was Hitler het tegendeel van een 'splijtzwam': hij
verenigde het Duitse volk.
Quote:
|
Zoals de geschiedenis ons echter heeft geleerd was Hitler niet
die overwinnaar. En een ieder die zijn boek leest kan op zijn
sloffen aanvoelen waarom hij dat ook nooit kon worden. Het verbaast
mij dan ook dat hij "zijn strijd" is aangegaan zoals hij die is
aangegaan. Want zoals gezegd, hij was zeker niet dom. Daar ben ik
inmiddels wel van overtuigd. |
Hitler is de grootste verliezer uit de geschiedenis. ALLES wat hij
wilde verkeerde in het tegendeel. Hij had beter dan wie ook moeten
weten hoe en door wie hij zou worden vernietigd.
Hij had nauwelijks een keuze. Duitsland was vanaf 1914 in oorlog en
die oorlog eindigde pas in 1945 met de vernietiging van Duitsland.
Na Versailles was er geen hoop meer voor Duitsland. De
internationale kapitaalelite, voor een belangrijk deel joden, had
Duitsland vernietigd en wilde niet dat het ooit weer gezond en
krachtig zou worden. Hitler bouwde tegen hun belangen in Duitsland
na de Weimar periode weer op energieke en constructieve wijze op.
De gruwelijke armoede en werkloosheid die miljoenen Duitsers
tijdens de vijftien Weimar-jaren had geteisterd, wist hij in
slechts 2,5 jaar volkomen op te lossen. Niet met
'bewapeningsprogramma's', (dat kwam pas na 1937), maar met
autobahnen, goedkope koopwoningen voor de Duitse arbeiders, de
Volkswagen voor 1.000 Mark op gemakkelijke betalingsvoorwaarden,
enz. Dat en nog veel meer zagen de Duitsers van Hitler. Ze aanbaden
hem omdat hij voor hen de eerste politicus was die zijn beloften
nakwam en het Duitse volk weer werk, brood en eigenwaarde
gaf.
Dat deed hij echter door Versailles aan zijn laars te lappen, de
zgn. 'gouden standaard' te dumpen (en daarmee de eeuwigdurende
renteslavernij aan de bezitters van het goud, de joodse
bankconsortia) enz.
Dat bezorgde hem vanaf het allereerste begin de vijandschap van
de machtige internationale kapitaalmafia. Direct na zijn
ambtsaanvaarding in 1933 verklaarde het internationale jodendom dan
ook Duitsland de oorlog (niet de nazi's, want
de Duitse regering bestond toen nog uit een democratisch gekozen
coalitie!) en kondigde een permanente wereldwijde boycot van Duitse
producten af.
Het was niet Hitler die de oorlog aan de joden verklaarde,
de internationale joodse elite verklaarde Duitsland de
oorlog!
Dat was in 1933, toen Duitsland op het dieptepunt van haar ellende
verkeerde, de internationale financiele crisis op het hoogtepunt
was en het voor Duitsland exporteren of sterven was. Op dat
moment staken de elitejoden Duitsland wederom (net zoals in 1916
met de Balfourverklaring) een dolk in de rug.
Quote:
|
Wat betreft de zwakte van zijn aanpak, moet ik constateren dat hij zich beter niet tegen een etnische groep had kunnen afzetten maar beter de elite als geheel en hun machtsbasis in bijzonder had kunnen aanpakken. Dat had het discriminerende element uit zijn visie gehaald en had derhalve de tegenstand en coalitievorming bij tegenstanders ondermijnend. Had hij het rustiger en subtieler aangepakt dan was hij wellicht veel verder gekomen en had Europa nu Germania geheten. |
Het internationale kapitaaljodendom verklaarde dat ALLE joden in
ALLE landen van de wereld (ook in Duitsland) vijanden van Duitsland
waren die zouden vechten voor haar ondergang. Dat tot afgrijzen van
de Duitse joden, die zich daardoor terecht verraden voelden; Hitler
beschouwde vanaf dat moment de joden nog meer dan vroeger als een
gevaar, een vijfde colonne van de vijand.
Alles wat Hitler gedaan of nagalaten zou hebben was volstrekt om
het even. De internationale joodse elite was uit op vernietiging en
onderwerping van Duitsland en afgezien van onvoorwaardelijke
overgave, waren er nauwelijks mogelijkheiden voor Duitsland om dat
te vermijden.
Quote:
|
Hij had bijvoorbeeld ipv een militaire strijd ook voor een economische strijd kunnen kiezen. En zijn volk daartoe kunnen opzwepen. Wellicht had hij dat ook wel gewild ware het niet dat zijn volk reeds lang juist onder dit economische juk leefde en dat ze waarschijnlijk niet de psychologische kracht hadden kunnen opbrengen om die strijd aan te gaan. |
Duitsland moest worden opgebouwd en in die paar jaar tot 1939 heeft
het Duitse volk daarmee een ongeevenaarde prestatie geleverd.
Als Hitler in 1938 zou zijn gestorven, zou hij de geschiedenis
zijn ingegaan als een van 's werelds grootste staatslieden.
Duitsland was NIET uit op wereldhegemonie, niet militair en al
helemaal niet economisch. Duitsland moest in de optiek van Hitler
OVERLEVEN temidden van een vijandige wereld.
Quote:
|
Wat ik echter nooit helemaal heb begrepen is waarom hij geen
rigoreuze hervorming op dit punt heeft doorgevoerd in Duitsland en
de bestaande machtsverhoudingen tussen volk en groot-kapitaal heeft
laten bestaan. |
Volgens Hitler was er onder het Nationaal-socialisme geen
kunstmatige tegenstelling meer tussen arbeid en kapitaal. Met de
afschaffing van het rentekapitaal beoogde hij internationale
ruilhandel te plegen, waarbij Duitsland hoogwaardige Duitse
eindprodukten (machines, spoorwegen, enz.) leverde aan arme landen,
welke daarvoor dan in grondstoffen die Duitsland niet had (olie,
suiker, koffie, enz.) betaalden. Daar profiteerden zowel Duitsland
als de minder ontwikkelde landen van omdat die daarmee niet
afhankelijk waren van goud en dollarleningen met eeuwigdurende
oplopende rentelasten.
Alle Duitsers waren "arbeiders" in dienst van het volk, ook de
industrielen. Hitler verwierp de 'klassestrijd" omdat hij vond dat
daardoor de maatschappij werd verlamd en in tweeen gedeeld; het
nationaalsocialisme moest iedereen welvaart bieden.
Quote:
|
Originally Posted by Rebirth Als ik ervan uit mag gaan dat dit "tweede boek" inderdaad ook
van Hitler is en dat de teksten van de speeches en documenten juist
zijn dan moet ik samen met de tekst van Mein Kampf tot de conclusie
komen dat Hitler al minstens vanaf 16 september 1919 behoorlijk
anti-semitisch was (zie |
Ikzelf kende dit "tweede boek" niet. Ik heb de indruk dat het een
vervalsing is. Waarom wordt het vrijwel nergens geciteerd in de
joods onderhorige media? Waarom werd zo'n belangrijk werk niet (al
dan niet aangepast) gepubliceerd toen Hitler eenmaal aan de macht
was gekomen? Vreemd. Wie heeft het vertaald en hoe?
Hitler was inderdaad antisemitisch omdat hij alle joden als
vijanden zag, ongeacht hun gedragingen, leeftijd, enz.
Quote:
|
Vanaf die tijd uitte hij zich ook in het openbaar als zodanig en is er een consistente lijn van dat anti-semitisme en dus van het oproepen tot het boycotten en uitsluiten van Joden. Ik kan mij goed indenken dat de Joodse gemeenschap daar behoorlijk nerveus van werd, vooral toen Hilter in 1933 aan de macht kwam en dit derhalve officieel Duits beleid werd. En in dat licht zie ik dus ook de reactie van de Joodse gemeenschap met haar boycot tegen Duitsland de dag na Hilters machtovername. |
Voor zover mij bekend heeft Hitler voor 1933 niet of nauwelijks
opgeroepen tot uitsluiten en boycotten van joden in Duitsland. Zijn
openbare tirades tegen joden richtten zich tegen het internationale
kapitaaljodendom. De (eendaagse) symbolische 'boycot' van 1 april
1933 (op een zaterdag, de sabbat, om de joodse winkeliers zo min
mogelijk te duperen!) was een gematigde reactie op de
permanente wereldwijde boycot die de internationale
kapitaaljoden tegen Duitsland hadden afgekondigd. Het was niet
toevallig dat deze boycot werd uitgeroepen door een
Amerikaans-joodse monopoliekapitalist, Samuel Untermeyer. Die sprak
ter gegenheid daarvan (in 1933) over ‘moord,
‘uithongering’ en ‘vernietiging’ toen er
absoluut geen sprake was van welke benadeling van joden in
Duitsland ook. Integendeel, Duitsland gold tot dan als een
voorbeeld voor de assimilatie van joden in Europa. Degenen die in
1933 de hongerdood stierven waren de Duitse arbeiders. Een andere
Amerikaans-joodse monopoliekapitalist, oorlogsprofiteur en
‘adviseur’ van president Roosevelt, Henry Morgenthau,
verklaarde al op 1 februari 1933, de dag nadat Hitler aan de macht
kwam, dat “de Tweede Wereldoorlog was begonnen.”
Op dat moment was er uit 'humanitair' oogpunt geen enkele reden om
Duitsland daarmee zo hard te treffen. (De Palestijnen
zouden zich in de hemel wanen als zij slechts een
week konden leven zoals de joden in Duitsland van 1933 tot
1941.)
De vijandschap van de internationale kapitaaljoden had niets met
humanitaire redenen te maken. Het was in werkelijkheid een
reactie op het verwerpen van Duitsland van de wurgvoorwaarden van
Versailles, het afschaffen van de 'gouden standaard' en de
renteslavernij. De Duitse joden waren dan ook fel tegen de boycot
gekant en voelden zich terecht verraden door deze internationale
kapitaalmafia.
Quote:
|
In de samenvatting aan het einde van zijn tweede boek geeft hij een prachtig beeld van zijn visie op het internationale Jodendom. Hij beweert daarin van alles over de Joden. En als daar iets van waar is, dan is zijn standpunt begrijpelijk en zijn zijn acties in de strijd tegen dat Jodendom te rechtvaardigen, ook ten aanzien van de deportatie van Joden. Ik kan me dan zelfs indenken dat hij zich door de oorlog en de weigering van de wereldgemeenschap om Joden op te nemen zo in het nauw voelde dat hij alleen de Endlosung nog als optie zag. Echter, dat begrip kan ik alleen opbrengen als zijn visie op het Jodendom, zoals hij dat zag en zo helder verwoord heeft in zijn tweede boek, volkomen juist was. |
Ikzelf kan geen enkele rechtvaardiging vinden voor het over
een kam scheren van alle joden: vrouwen, kinderen, zieken,
bejaarden, volstrekt a-politieke joden, trouwe vaderlandse joden,
enz. Misschien nog wel voor zijn politiek van gedwongen emigratie,
maar al helemaal niet voor zijn politiek van dwangarbeid in
gruwelijke barakkenkampen in het Oosten. Daarvoor bestaat - in
ieder geval in mijn ogen - geen enkel excuus en geen enkele
rechtvaardiging.
Je gebruikt trouwens ten onrechte het leugenwoord
"Endlosung", dat suggereert dat miljoenen joden systematisch
werden uitgeroeid in "gaskamers" van "vernietigingskampen". Als je
jezelf ook maar een klein beetje verdiept in het revisionistische
feitenmateriaal zul je voortaan dat woord alleen nog tussen
aanhalingstekens gebruiken.
Quote:
|
En daar loop ik tot op heden vast, want in geen van zijn brieven, speeches of boeken komt Hilter met concrete echte bewijzen. Het is mij daarbij echt onvoldoende dat er in Duitsland en elders in de wereld reeds anti-semitische ideeen waren en boeken circuleerden waarin dat tot uitdrukking werd gebracht. Ik wil bewijzen niet meer en niet minder. Want er zijn teveel mensen, vooral ook niet Joodse Duitsers, gestorven voor deze ideeen om het zonder echt bewijs als waarheid te aanvaarden. |
Je vraag naar "bewijzen" is natuurlijk veel te breed om hier op in
te gaan. Waar een overvloed van bewijzen van bestaat is dat: de
meerderheid der joden in de eerste plaats loyaal is aan hun eigen
"volk". Zij zijn door de eeuwen heen een sterk gesloten gemeenschap
gebleven, welke nooit echt wilde integreren binnen hun
gastvolkeren. Integendeel, vooral vroeger stonden zij uiterst
vijandig tegenover de gemeenschappen waarin zij leefden. Zij
vergaarden voor een groot deel hun bezit door improductieve
activiteiten: geldmanipulatie, advocatuur, politiek, handel,
speculatie, enz.
Zoals gezegd, het Duitse volk had daarvoor geen verdere 'bewijzen'
nodig; zij zagen dat elke dag op straat en om zich heen.
Quote:
|
Overigens ben ik blijkbaar wat harder voor parasieten dan jou
King Arthur. |
Ik ga hierin dus niet met je mee. Voor mij is er
nooit sprake van collectieve schuld, niet bij een ras
en niet bij een volk.
Dan maak je dezelfde fout als Hitler, de nazi's en de
Zionazi's in Israel en dat verwerp ik volledig.
Quote:
|
Originally Posted by Rebirth King Arthur ik heb net als jij dezelfde bedenkingingen bij
collectieve schuld. |
Naar mijn mening was er van collectief parasitisme en
nepotisme geen sprake, althans niet bij het gros van de
Europese joden en niet in de mate dat dat bij hen als
staatsondermijnend kon worden gekwalificeerd. Zeker, er was een
aanzienlijk deel van de joden voor wie dat wel gold. Ik denk dat
Hitler zich hierbij voor het probleem gesteld zag dat als
maatregelen zich alleen zouden beperken tot joden waarvan 'bewezen'
kon worden dat zij ondermijnend en disloyaal waren, dat op
individuele basis moest worden vastgesteld. Een onoplosbaar
probleem daarbij zou zijn waar de grenzen dan getrokken moesten
worden. Dat was ondoenlijk en politiek onverkoopbaar; zelfs als dat
wel kon zou hij er ook bij uitwijzing van deze joden niet aan
kunnen ontkomen onschuldigen (vrouwen, kinderen, bejaarden) te
treffen. Op die manier zou hij het joodse vraagstuk nooit kunnen
oplossen. Bovendien stond voor hem vast - daarin gesterkt door de
oorlogsverklaring van het internationale jodendom aan Duitsland -
dat elke jood zich vroeg of laat tegen Duitsland zou (kunnen)
keren.
Ik vermoed dat dit soort overwegingen hem ertoe hebben gebracht
geen onderscheid te maken en zich op verwijdering van alle
Duitse (en later 'Grootduitse') joden te richten.
Niet uit het oog mag worden verloren dat het aanvankelijk ging om
vrijwillige en later om dwangmatige emigratie.
Pas toen de oorlogsomstandigheden dat onmogelijk maakten, liep dat
uit op de beruchte transporten naar het Oosten.
Quote:
|
En ik wacht ook op mensen die mij kunnen aantonen dat er nu
nog steeds een Joodse wereld elite is die aan de touwtjes trekt in
een mate die niet in verhouding staat tot het aantal Joden in de
wereld. |
Dat er een joodse elite bestaat welke gezien hun geringe aantal een
buitenproportionele macht in en over de wereld bezit is boven elke
twijfel verheven. Het kost werkelijk niet de minste moeite om dat
met harde bewijzen te staven. Meer dan 80% van alle (massa)media in
de VS en een groot deel van de Westerse wereld is in joodse handen.
Hetzelfde geldt voor de grootste bankconsortia in de VS en in de
wereld. Let wel, zij zijn ook de schuldeisers van de nooit meer af
te lossen mega-staatsschulden welke alle Westerse landen hebben.
Ondanks al deze torenhoge schuld (en rente!)lasten en alle
'bezuinigingen' welke als gevolg daarvan in een niet aflatende
stroom over de burgers worden uitgestort, waren er onmiddellijk
honderden miljarden dollars beschikbaar om het Iraakse volk te gaan
"bevrijden" van hun ondemocratische dictator. Behalve dat daarmee
weer een vijand van Israel onschadelijk werd gemaakt, neemt
daardoor de staatsschuld van de VS aan de joodse kapitaalelite nog
weer verder toe. Er is een oud spreekwoord dat zegt: "Wie betaalt,
bepaalt". Dat is exakt aan de hand met de joden in de VS en in de
wereld. Vrijwel alle voorraden aan goud en edele metalen in de
wereld zijn in handen van anonieme stichtingen en bankinstellingen
waarvan de eigenaren joden zijn. de "Amerikaanse" regering is
vergeven van joden op beslissende functies en van de "adviseurs"
die zich aan elke democratische controle onttrekken, maar niettemin
bepalen wat de 'president' mag en moet doen. Joodse machten bepalen
wie er president mag worden, en daarbij maakt het hen geen fluit
uit of hij Democratisch of Republikeins is. Wie het ook is, hij
heeft tevoren moeten beloven de door hen vastgestelde politiek te
voeren. Indien niet dan maakt hij geen schijn van kans op
verkiezing. Zit hij er eenmaal en doet hij niet voldoende wat van
hem wordt verwacht, dan wacht hem een anti-campagne in de media,
een chantage-affaire (al dan niet met een joodse stagiaire) of
uiteindelijk een nooit opgeloste moordaanslag.
Elke vergelijking van "er zijn veel meer Christenen, Mohammedanen,
Duitsers, enz. dan joden" mist elke grond omdat de honderden
miljoenen Christenen enz. geen Volk zijn, doch slechts honderden
miljoenen individualisten.
De joodse macht is gebaseerd op het feit dat zij een VOLK zijn en
zich als zodanig al eeuwenlang gedragen. Hetzelfde geldt bijv. voor
de Japanners en dat maakt het mogelijk dat zij als kleine groep een
formidabele macht in de wereld vertegenwoordigen. Niet voor niets
worden in het westen door de joods gedomineerde pers het
"individualisme" en "materialisme" zo op een voetstuk geplaatst.
Dat biedt de beste garantie dat de massa NOOIT een bedreiging kan
worden voor de werkelijke heersers.
-- "King Arthur"
Nu beschouw ik het als een gelukkige schikking van het lot, dat het mij juist Braunau aan de Inn als geboorteplaats aanwees. Dit stadje is immers precies gelegen op de grens van de twee Duitse staten, die vooral volgens ons, jongeren, weer tot een geheel moet worden samengevoegd. Duits-Oostenrijk moet weer terug naar het grote Duitse moederland, en dat niet op grond van de een of andere economische overweging. Nee, nee: ook zelfs als de hereniging, economisch gezien, geen voordeel zou opleveren, ja zelfs als zij nadelig zou zijn, moet dit toch plaatsvinden.
Het Duitse volk kan geen aanspraken op een koloniaal-politiek gebied doen gelden, zolang het niet bij machte is gebleken, zijn eigen zonen binnen 1 staatsverband te brengen. Pas wanneer de rijksgrens ook de laatste Duitser omsluit, en het Rijk niet meer de zekerheid heeft, iedereen te kunnen verzorgen, pas DAN ontstaat uit de nood van het eigen volk het morele recht tot verwerving van vreemde grond. Dan wordt het zwaard tot ploeg en uit de tranen van de oorlog groeit voor de nakomelingen van het dagelijks brood. Zo schijnt mij dit kleine grensstadje het symbool van een grote levenstaak te zijn. Maar ook nog in een ander opzicht staat het als een stenen waarschuwing in onze tijd. Het is meer dan 100 jaar geleden, dat dit onaanzienlijke nest het toneel was van een tragische gebeurtenis, waarmee het leven van de hele Duitse natie gemoeid was, en die maakte, dat het in de annalen van de Duitse geschiedenis werd vereeuwigd.
In de tijd van de diepste vernedering van ons vaderland, stierf daar voor zijn land, dat hij ook toen, juist toen, met zijn gehele hart liefhad, de Neurenberger Johannes Palm, particulier boekhandelaar, overtuigd nationalist en vijand van de Fransen. Hardnekkig had hij geweigerd, de mede- of liever de hoofdschuldigen te noemen. Dus evenals Leo Schlageter. Hij werd dan ook gelijk als deze door een regeringsvertegenwoordiger bij de Fransen verraden. Een directeur van de Augsburgse politie verwierf deze treurige roem en gaf aldus het voorbeeld aan de Duitse ambtenaren van onze tijd in het rijk van de heer Severing.
In dit stadje aan de Inn, dat door het offer van deze Duitse martelaar een aureool zal blijven dragen, dat naar t gevoel en 't bloed' Beiers is, maar staatkundig tot Oostenrijks grondgebied behoort, woonden in de tachtiger jaren van de vorige eeuw mijn ouders; mijn vader was een plichtsgetrouw rijksambtenaar, mijn moeder ging op in haar huishouden en gaf zich vooral aan ons kinderen met altijd dezelfde liefde en zorg. Uit deze tijd is mij maar weinig bijgebleven, want reeds na verloop van enkele jaren moest mijn vader het hem lief geworden grensstadje weer verlaten, om in Passau, dat aan de monding van de Inn, dus in Duitsland zelf, gelegen is, een nieuwe standplaats te gaan innemen. Maar het lot van een Oostenrijks Douanier betekende destijds 'vaak verhuizen'. Al na korte tijd moest mijn vader naar Linz en werd tenslotte ook gepensioneerd. "Rust" zou dit voor de oude heer weliswaar niet betekenen. Als zoon van een arme pachter had hij het vroeger thuis reeds niet kunnen uithouden. Als kleine jongen van nog-niet-eens dertien jaar had hij zijn rugzak gepakt en was uit het bosland - zijn geboortestreek - weggelopen. Tegen de raad van de ervaren dorpsgenoten in, was hij naar Wenen getogen, om daar een vak te leren. Dat was in de vijftiger jaren van de vorige eeuw geweest. (vorige eeuw is 1800+)
Een moeilijk besluit, om met drie gulden op zak de wijde wereld in te trekken, een onzekere toekomst tegemoet. Toen de dertien jarige echter zeventien jaar geworden was had hij zijn (leerlingen) gezellen-proefstuk met goed gevolg afgelegd, maar de verwachte voldoening had het hem niet geschonken, eigenlijk het tegendeel. Doordat zijn nood, kommer en ellende destijds zo vreselijk lang duurde kwam hij tot het besluit, om zijn beroep uiteindelijk toch maar op te geven en iets 'hogers' te worden. En zoals vroeger in het dorp meneer Pastoor voor de doorsnee jonge arme drommel de verpersoonlijking was van het hoogste wat een mens maar bereiken kan, zo zag hij nu - doordat zijn blikveld door het verblijf in een grote stad zo veel ruimer was geworden - de waardigheid van de rijksambtenaar in dit licht.
Deze zeventienjarige - die, nog een half kind, door nood en ontberingen al "oud" was geworden - wierp zich met al zijn energie en taaiheid op deze nieuwe zelfopgelegde taak, en werd... ambtenaar.
Na bijna drie en twintig jaar (naar ik meen) was het doel bereikt. Nu scheen ook de grote gelofte vervult die de arme jongen eens aan zichzelf had gedaan, om niet eerder in zijn geliefde geboortedorp terug te keren, voor hij iets van betekenis zou zijn geworden.
Nu was het doel bereikt; maar in het dorp wist niemand zich de vroegere kleine jongen meer te herinneren, en hemzelf was dit dorp vreemd geworden. Toen hij eindelijk op zesenvijftigjarige leeftijd gepensioneerd werd, zou hij toch van zijn rust als 'leegloper' geen dag hebben kunnen genieten. Hij kocht nabij het Oostenrijks gehucht Lambach een stuk grond, bebouwde dat, en keerde aldus in de kringloop van een lang en werkzaam leven, weer terug tot de oorsprong van zijn geslacht.
In deze tijd kwamen waarschijnlijk ook in mij reeds de eerste idealen op. Het vele rondzwerven in de vrije natuur, de lange weg naar school en ook de omgang met uitsterst ruwe jongens, iets wat vooral mijn moeder dikwijls met grote zorg vervulde, maakten dat ik allesbehalve een huismus werd. En al dacht ik destijds ook nauwelijks een ogenblik ernstig na over mijn toekomstig beroep, toch stond een ding vast: dat ik me heel zeker NIET tot de levensloop van mijn vader aangetrokken voelde. Ik geloof, dat reeds in die tijd mijn spreekvaardigheid zich ontwikkelde, wat tot uiting kwam in min of meer heftige ruzies met mijn kameraden.
Ik was een kleine belhamel geworden, die op school gemakkelijk en ook zeer goed leerde, maar overigens tamelijk moeilijk te behandelen was. Omdat ik in mijn vrije tijd zangles kreeg in het Klooster der Koorheren te Lambach, had ik volop gelegenheid de bedwelming van de buitengewoon feestelijke pracht en praal der kerkelijke plechtigheden te ondergaan. Wat was natuurlijker en logischer dan dat ik toen de Abt beschouwde als een man, die het hoogste ideaal bereikt had, evenals toentertijd mijn vader tegen de kleine dorpspastoor had opgekeken. Een tijdlang tenminste was dat het geval.
Aangezien mijn vader echter zijn vechtlustige zoon om begrijpelijke redenen de gebektheid en verbale talenten niet als zodanig kon waarderen, zo - dat hij daaruit enige hoopvolle gevolgtrekkingen kon maken voor de toekomst van zijn spruit, nam hij zulke jongensplannen ook niet ernstig op. Waarschijnlijk baarde dit dualisme van de natuur hem zorg. Inderdaad verdween dan ook mijn verlangen naar dit beroep vrij spoedig, om plaats te maken voor verwachtingen die met mijn temperament overeenkwamen.
Bij het doorsnuffelen van mijn vaders bibliotheek had ik verscheidene boeken over militaire onderwerpen gevonden, waaronder een volksuitgave over de Frans-Duitse oorlog van 1870-1871. Het waren twee ingebonden jaargangen van een geïllustreerd tijdschrift uit die jaren en die werden nu mijn lievelingslectuur.
Het duurde niet lang, of deze titanenstrijd was als het ware geheel een stuk van mijzelf geworden. Van nu af aan dweepte ik hoe langer hoe meer met alles, wat op de een of andere manier samenhing met oorlog of tenminste met het soldatenleven. Maar ook in een ander opzicht zou dit van belang voor mij worden. Voor het eerst kwam de vraag bij mij op, hoewel nog in weinig heldere vorm, of en zo ja, welk onderscheid er dan toch bestond tussen deze Duitsers, die veldslagen leverden en de anderen.
Waarom heeft Oostenrijk toch niet OOK meegevochten in deze oorlog? Zijn wij dan niet gelijk aan al die andere Duitsers? Behoren wij dan niet allemaal bij elkaar? Dit probleem begon toen voor het eerst mijn jeugdige hersenen te pijnigen. Het vervulde mij met een gevoel van diepe afgunst toen ik in antwoord op mijn voorzichtig gestelde vragen tot antwoord kreeg dat niet iedere Duitser zo gelukkig was om tot het Rijk van Bismarck te behoren. Ik kon dit niet begrijpen.
Ik zou gaan studeren, Uit mijn gehele karakter, en meer nog uit mijn temperament, meende mijn vader de gevolgtrekking te kunnen maken, dat het humanistische gymnasium volkomen in tegenspraak zou zijn met mijn aanleg. De Hogere Burgerschool scheen hem beter daarbij te passen. In deze mening werd hij vooral gesterkt door mijn kennelijke aanleg voor tekenen, een vak dat naar zijn mening op de Oostenrijkse gymnasia verwaarloosd werd. Misschien was zijn eigen moeilijke levensweg daarbij wel mede beslissend, die hem de zijns inziens onpraktische humanistische studie wat minder deed waarderen.
Het stond echter onwrikbaar bij hem vast dat zijn zoon natuurlijk rijksambtenaar zou worden, ja..., MOEST worden. Zijn harde jeugd was uiteraard oorzaak dat hem datgene, wat hijzelf tenslotte bereikt had, nog des te groter toescheen, omdat hij dit immers uitsluitend door eigen vlijt en energie had bereikt. Het was de trots van een man, die zichzelf had opgemerkt, die de wens in hem wakker riep om zijn zoon in een gelijke, zo mogelijk in een hogere levenspositie te zien, en dit des te meer, waar hij - door eigen vlijt in staat was - zijn zoon deze weg zoveel gemakkelijker te maken.
De gedachte dat ik datgene, wat voor hem zijn gehele levensinhoud vormde, zou kunnen afwijzen, kwam eenvoudigweg niet bij hem op. ZO was mijn vaders besluit, eenvoudig, duidelijk en helder en in zijn eigen ogen vanzelfsprekend. Tenslotte zou hij met zijn karakter, dat in de loop van zijn levenslange strijd om het bestaan heerszuchtig was geworden, de gedachte ook niet kunnen verdragen, dat hij in een geval als dit de eindbeslissing had moeten overlaten aan de in zijn ogen onervaren en dus niet verantwoordelijke jongen zelf.
Hij zou bij zo'n optreden ongetwijfeld het gevoel hebben gehad dat hij de teugels van het hem toekomende bewind niet strak genoeg hield, en dat hij de verantwoordelijkheid voor het leven van zijn kind niet ernstig genoeg nam; het zou trouwens ook in lijnrechte tegenspraak zijn geweest met zijn opvatting van plicht. Maar het zou anders uitkomen. Voor de eerste maal in mijn leven werd ik - toen ik nauwelijks elf jaar oud was - in de oppositie gedrongen. Hoe hard en vastbesloten mijn vader ook mocht zijn bij het doorzetten van eenmaal bepaalde plannen en voornemens, zijn zoon was even koppig en weerbarstig wanneer het over dingen ging die hem niet of nauwelijks aanstonden. Ik wilde geen rijksambtenaar worden, En geen overredende woorden, geen ernstige vermaningen zagen kans aan deze tegenstand iets af te doen.
Ik wilde geen ambtenaar worden, nee en nog eens nee! Alle pogingen om bij mij - door de verhalen uit mijn vaders eigen leven - liefde voor dit beroep op te wekken, hadden een averechtse werking. Ik werd misselijk bij de gedachte, eens als onvrij man op een bureau te moeten zitten; niet meer heer en meester te kunnen zijn over mijn eigen tijd en gedwongen te zijn de inhoud van mijn gehele leven te zoeken in het invullen van formulieren. Welke bekoring kon zulk een toekomstbeeld ook hebben voor een jongen die toch werkelijk alles was, behalve zoet in de gebruikelijke zin van het woord.
Het grote gemak waarmee ik leerde liet mij zoveel vrije tijd dat ik meer in de zon liep dan op mijn kamer zat. Wanneer in onze dagen mijn politieke tegenstanders mij de aanminnige attentie bewijzen om mijn levensloop te doorsnuffelen tot in de jaren van mijn jeugd, en men eindelijk met innige voldoening kan vaststellen welk een schandelijk streken 'die Hitler' reeds in zijn jeugd heeft uitgehaald, dan dank ik de Hemel, dat men mij langs deze weg ook nu nog iets schenkt uit de herinneringen van deze gelukkige tijd.
Bos en weidegrond waren destijds het strijdperk waar onophoudelijke 'verschillen van mening' werden uitgevochten. Ook de Hogere Burgerschool, die ik nu moest bezoeken, bracht hierin weinig verandering. Wel leidde dit er echter toe, dat er nu een andere kwestie moest worden uitgevochten. Zolang tegen het plan van mijn vader - om mij ambtenaar te laten worden - alleen maar mijn afkeer van dat beroep op zichzelf stond, kwam het conflict niet tot uitbarsting. Zolang kon ik immers ook mijn innerlijke gevoelens enigszins inhouden en behoefde niet altijd dadelijk tegen te spreken. Mijn eigen vaste besluit om later geen ambtenaar te worden, was voldoende om mij innerlijk volkomen gerust te stellen. Dit besluit echter stond bij mij onwrikbaar vast.
Moeilijker werd de zaak, toen tegenover het plan van mijn vader een eigen plan kwam te staan. Hoe het kwam weet ik zelf niet, maar op zekere dag was het mij duidelijk dat ik schilder wilde worden - kunstschilder. Ik had ontegenzeggelijk talent voor tekenen en dit was zelfs mede een reden voor mijn vader geweest om mij naar de Hogere Burgerschool te zenden; maar nooit en te nimmer zou hij eraan gedacht hebben om mij in die richting te laten opleiden met het oog op een eventueel later beroep.
Integendeel, toen mij voor de eerste maal - nadat ik wederom vaders lievelingsdenkbeeld had afgewezen - de vraag werd gesteld, wat ik nu eigenlijk WEL wilde worden en ik vrijwel zonder voorbereiding mijn besluit - dat intussen reeds vast was komen te staan - eruit flapte, was vader eerst sprakeloos. "Schilder? Kunstschilder? Hij twijfelde aan mijn verstandelijke vermogens, meende misschien ook niet goed gehoord of verstaan te hebben.
Toen ieder twijfel dienaangaande uit de weg was geruimd, en hij vooral de ernst van mijn bedoeling voelde, verzette hij zich daartegen met geheel zijn wil en al zijn energie. Zijn beslissing was zeer simplistisch; er was geen sprake van, dat ook maar enigszins onderzocht werd of ik misschien inderdaad geschikt was voor dit beroep. "Kunstschilder, nee, zolang ik leef, nooit."
Daar echter zijn zoon nu juist, behalve verschillende andere eigenschappen, OOK zijn stijfkoppigheid had geërfd, kwam er ongeveer even pertinent antwoord terug. Alleen natuurlijk in omgekeerde zin. Aan beide zijden bleef het daarbij. Vader handhaafde zijn "Nooit" en ik verhardde in mijn "En Toch!" Dit had nu echter niet bepaald aangename gevolgen. De oude heer werd verbitterd, en hoezeer ik hem ook liefhad, ik ook. Vader wilde dat ik mijn innige hoop, toch nog eens voor kunstschilder te kunnen worden opgeleid, liet varen. Ik ging nog een stap verder en verklaarde dat ik dan helemaal niet meer wilde leren.
Daar ik nu natuurlijk met zulke 'verklaringen' toch aan het kortste eind trok, omdat de oude heer nu zijn gezag meedogenloos liet gelden, zweeg ik voortaan maar voerde inderdaad mijn bedreiging uit. Ik meende dat vader, wanneer hij maar eenmaal zou zien hoe slecht mijn resultaten op de Hogere Burgerschool waren, mij goed- of kwaadschiks toch mijngedroomde geluk wel zou toestaan. Ik weet niet of ik op de lange duur gelijk zou hebben gekregen. Zeker waren voorlopig alleen mijn zichtbaar slechte resultaten op school.
Wat ik prettig vond leerde ik, maar vooral ook alles wat mij naar mijn mening later als schilder van nut zou kunnen zijn. Wat mij in dat opzicht onbelangrijk toescheen - en mij ook overigens niet aantrok - saboteerde ik volkomen.
Mijn rapporten in deze tijd vertoonden, naar gelang van het vak en mijn waardering daarvoor, steeds uitersten. Naast "uitmuntend" en "zeer goed" stonden "even voldoende" en "onvoldoende". Verreweg het beste waren mijn vorderingen in aardrijkskunde en beter nog die in algemene geschiedenis. Dit waren mijn beide lievelingsvakken, waar ik mijn klasgenoten verre de baas was. Indien ik thans - na zoveel jaren - mij de resultaten van deze tijd voor de geest haal en onderzoek, dan zie ik twee in het oog lopende feiten bijzonder grote betekenis. Ten eerste: Ik werd Nationalist. Ten Tweede: Ik leerde de geschiedenis in haar ware betekenis doorzien en begrijpen.
Het oude Oostenrijk was een "nationaliteitenstaat". Een onderdaan van het Duitse rijk kon zich er, over het algemeen tenminste, destijds in het geheel geen beeld van vormen, welke betekenis dit feit bezit in het dagelijkse leven van de enkeling in zo'n staat. Men was na de wonderbare zegetocht van de heldhaftige legers in de Frans-Duitse oorlog zo langzamerhand steeds meer vervreemd van het Duitse volk buiten de eigen grenzen: sommige groepen hadden deze broeders zelfs niet meer willen, of misschien niet meer kunnen waarderen.
Met betrekking tot de Duits-Oostenrijker verwarde men voorla maar al te gemakkelijk het door-en-door rotte Vorstenhuis met het in de kern volkomen gezonde volk. Men begreep niet, dat de Oostenrijkse Duitser van het zuiverste bloed moest zijn, om de kracht te bezitten zijn stempel te drukken op een staat van 52 millioen zielen, en dat wel zodanig dat immers juist in Duitsland de foutieve mening kon gaan heersen dat de Oostenrijks-Hongaarse monarchie een Duitse staat was.
Een misverstand, dat noodlottige gevolgen met zich zou slepen, maar dat toch een schitterende getuigenis was voor de 10 millioen Duitsers van de Oostmark. Van de eeuwige onverbiddelijke strijd voor de Duitse taal, de Duitse school en het Duitse volkskarakter hadden slechts heel weinig Duitsers uit het Rijk enig vermoeden. Eerst nu, nu vele millioenen uit het Rijk zelf gebukt gaan onder datzelfde harde juk, nu millioenen volksgenoten onder vreemde heerschappij van een vaderland dromen dat weer alle Duitsers omsluit, en met het hart vol verlangen naar huis, vechten, om tenminste de heilige rechten op het gebruik van de moedertaal te behouden, nu begrijpt men pas in bredere kring wat het zeggen wil voor zijn volkseigenheden te moeten strijden.
Nu zal misschien ook de een of ander de grootheid weten te schatten van het Duitse bloed in de oude Oostmark van het Rijk, dat - geheel op zichzelf alleen aangewezen - eerst eeuwenlang de Oostgrenzen van het Rijk verdedigde, om tenslotte in een oneindig uitputtende guerrilla de Duitse taalgrens vast te houden in een tijd waarin het Rijk zich wel interesseerde voor koloniën, maar niet voor zijn eigen vlees en bloed vlak voor zijn poorten.
Zoals overal en altijd, in ieder strijd, bestonden er ook in de taalstrijd van het oude Oostenrijk drie soorten mensen: de Strijders, de Onverschilligen en de Verraders. Reeds op school kon men deze drie categorieën onderscheiden. Want dat is wel het merkwaardigste bij iedere taalstrijd, dat zijn golven misschien het zwaarst de school bebeuken, de plaats immers, waar de jonge generatie voor het leven wordt uitgerust. Deze strijd wordt gevoerd om het kind, en tot het kind richt zich de eerste oproep voor deze strijd.
"Duitse jongen, vergeet niet, dat je Duitser bent" en "Meisje, denk er aan dat je een Duitse moeder moet worden." Wie de ziel van de jeugd kent, die begrijpt dat juist zij met vreugde het oor leent aan zo'n strijdkreet. In honderd verschillende vormen voert zij dan deze strijd, op haar wijze en met haar wapens. Zij weigert, andere dan Duitse liederen te zingen, dweept des te meer met de grootheid der Duitse helden, naarmate men zich meer inspant haar daarvan te vervreemden; verzamelt geld, dat zij zich uit de mond bespaart voor de strijdkas van de volwassenen; zij hoort ieder woord en doorvoelt iedere bedoeling van de niet-Duitse leraar en werkt hem op alle manieren tegen; zij draagt de verboden onderscheidingstekenen van het eigen volk en voelt zich gelukkig wanneer ze daarvoor gestraft of zelfs gekastijd wordt.
Zij is dus in het klein een getrouw spiegelbeeld der groten, alleen met dit verschil, dat zij er dikwijls een sterker en oprechter overtuiging op nahoudt. Zo was ook ik reeds in mijn prille jeugd in de gelegenheid om deel te nemen aan de strijd der nationaliteiten in het oude Oostenrijk. Men collecteerde voor Duitse scholen en voor de Zuidelijkste provinciën, men gaf blijk van zijn overtuiging door middel van korenbloemen en zwart-rood-goud, men groette met "Heil" en zong liever het "Deutschland uber alles" dan het "Gott erhalte Franz den Kaiser", wat men ook mocht vermanen en straffen. Wij jongens waren daardoor reeds politiek geschoold op een leeftijd, waarop een onderdaan van een zogenaamde Volksstaat meestal van zijn volkseigenheden weinig meer kent dan de taal. Dat ik reeds destijds niet tot de onverschilligen hoorde spreekt vanzelf.
In korte tijd was ik een fanatiek "Duitsnationaal" geworden, waarbij dit echter niet identiek is met de ideologie der partij, welke heden deze naam draagt. Deze ontwikkeling maakte bij mij snelle vorderingen, zodat ik reeds op vijftienjarige leeftijd een juist begrip had van het onderscheid tussen dynastiegebonden " patriottisme" en volks "nationalisme"; en voor mij bestond er reeds destijds niets anders meer dan het laatste. Voor hem, die zich nooit de moeite getroostte, de binnenlandse verhoudingen van het rijk der Habsburgers te bestuderen, zal zo'n gebeurtenis misschien niet dadelijk begrijpelijk zijn.
Reeds de meest elementaire behandeling der wereldgeschiedenis, op school, moest noodgedwongen de kiem leggen voor deze ontwikkelingen, omdat er immers - afgezien van locale kronieken - geen eigenlijke Oostenrijkse geschiedenis bestond. Het lot van deze staat is zozeer verbonden met het leven en de groei van het gehele Duitse volk, dat een poging om de geschiedenis in een Duitse en een Oostenrijkse helft te splitsen eenvoudig op een jammerlijke mislukking moest uitlopen. Ja, toen Duitsland tenslotte in 2 machten uiteenviel, werd immers juist deze scheiding een gebeurtenis in de Duitse geschiedenis.
De in Wenen bewaarde Rijkskleinodien, zinbeelden van de vroegere grootheid en heerlijkheid van het Rijk, schijnen ons in hun wondere pracht een onderpand te zijn voor de eeuwige eenheid van de Duitse landen. Die, diep uit het hart opgewelde kreet van het Duits-Oostenrijkse volk: "Weer een met het Duitse moederland!" in de dagen dat de Habsburgse staat ineenstortte, was immers slechts het gevolg van dat gevoel van heimwee naar het nooit vergeten vaderhuis, dat in alle harten leefde. Nimmer echter zou dit verklaarbaar geweest zijn, indien niet de geschiedkundige opvoeding van iedere Duits-Oostenrijker afzonderlijk, dit algemene verlangen gewekt en versterkt had. Zij is een bron, die nimmer opdroogt, die - vooral dan - wanneer voorbijgaande rust en welvaart ons doen vergeten, haar donkere, waarschuwende stem doet horen en door het verleden van een nieuwe toekomst spreekt.
Het onderwijs in algemene geschiedenis op de zogenaamde middelbare scholen is er ook heden nog zeer slecht aan toe. Slechts zelden begrijpt een leraar, dat het doel van het geschiedenisonderwijs nooit en te nimmer kan gelegen zijn in het van buiten leren en afdraaien van geschiedkundige data en gebeurtenissen, dat het er niet op aan komt, of de jongen nu precies weet wanneer deze of gene veldslag geleverd werd, wanneer die veldheer geboren werd, of zelfs een (meestal zeer onbeduidend) monarch de kroon van zijn voorvaderen op het hoofd werd gezet. Nee, dat is waarlijk al van zeer weinig belang.
Geschiedenis "leren" wil zeggen, de krachten opzoeken die de oorzaken zijn van datgene wat wij als geschiedkundig gegroeide feiten en toestanden voor ons zien. De kunst van het lezen, evenals van het leren is ook hier: het wezenlijke behouden, de bijzaken vergeten. Het werd misschien beslissend voor mijn gehele leven, dat het geluk mij juist voor geschiedenis een leraar gaf, die als zeer weinigen de kunst verstond bij onderricht en examinering dit standpunt de doorslag te doen geven.
Mijn toenmalige leraar Dr. Leopold Pötsch van de Hogere Burgerschool te Linz voldeed aan deze eis op werkelijk ideale wijze. Deze oude heer, die even goedig van karakter was als vastberaden in zijn optreden, slaagde er - vooral door een schitterende welbespraaktheid - niet alleen in ons te boeien, maar wist ons ook werkelijk mee te slepen. Nog steeds maakt er zich even een ontroering van mij meester, wanneer ik aan die grijze man - die ons in het vuur van zijn woorden menigmaal het heden deed vergeten - het verleden voor ons deed herleven en uit de nevelsluiers der eeuwen, de droge geschiedkundige herinnering tot levende werkelijkheid maakte.
Vaak bracht hij ons tot levende geestdrift, soms werden wij zelfs tot tranen geroerd. Dat geluk was des te groter, omdat onze leraar de kunst verstond het verleden juist in het licht van het heden te bezien, tevens echter om uit dit verleden de lessen voor het heden op te maken. Zo gaf hij ons dan ook, meer dan iemand anders, inzicht in al de problemen van de dag, die ons destijds steeds bezighielden. Ons klein nationaal fanatisme was voor hem een middel tot opvoeding, terwijl hij meer dan eens een beroep deed op ons nationaal eergevoel en daardoor alleen ons deugnieten spoediger tot orde bracht, dan dit door enig ander middel ooit mogelijk zou zijn geweest.
Deze leraar heeft geschiedenis tot mijn lievelingsvak gemaakt. Reeds in die tijd groeide, waarschijnlijk tegen zijn zin, uit mij de jonge revolutionair. Wie had ook zonder leiding van zo'n leraar Duitse geschiedenis kunnen studeren zonder tot vijand te worden van deze staat, welke door zijn dynastie op zo noodlottige wijze het leven van de natie beïnvloedde? Wie tenslotte had trouw kunnen blijven aan een keizer, wiens huis, zo vroeger als nu, altijd en altijd weer de belangen van het Duitse volk verried ter wille van smadelijke eigen voordelen? Dit historische inzicht in de invloed van het Habsburgse huis werd nog versterkt door de dagelijkse ervaringen.
In het Noorden en in het Zuiden vrat het vreemde volkerenvergif aan het lichaam van ons volk en zelfs Wenen werd kennelijk meer en meer een on-Duitse stad. Het aartshertogelijk Huis werd steeds meer Tsjechisch, waar dat maar enigszins mogelijk was en het was de vuist van de godin der eeuwige rechtvaardigheid en der onverbiddelijke vergelding, die de dodelijkste vijand van het Duitse bloed in de Oostmark - aartshertog Frans Ferdinand - juist deed vallen door de kogels, welke hij zelf hielp gieten. Hij immers was de beschermheer van het Slavendom in oostenrijk en het was vooral aan hem te danken dat de groeiende invloed van deze groep van bovenaf in de hand werd gewerkt.
Ongelooflijk zwaar waren de lasten die men aan het Duitse volk oplegde. Geweldig waren de offers aan geld en bloed en niettemin moest ieder, die niet stekeblind was, inzien dat dit alles tot vruchteloosheid gedoemd zou zijn. Wat ons daarbij nog het meest hinderde was het feit dat dit gehele systeem moreel gedekt werd door het bondgenootschap met Duitsland, waardoor de geleidelijke uitroeiing van de Duitse volkseigenheden in de oude monarchie nog min of meer door Duitsland zelf gesanctioneerd werd. De Habsburgse huichelarij, waarmee men het klaarspeelde naar buiten de schijn te wekken alsof Oostenrijk nog altijd een Duitse staat was, voerde de haat tegen dit Huis op tot brandende verontwaardiging en minachting.
Alleen de officiële instanties van het Rijk, welke ook toen al de enige "bevoegden" waren, zagen van dit alles niets. Als met blindheid geslagen gingen zij naast een lijk, en meenden zelfs nog in de voortekenen der verrotting blijken van "nieuw" leven te ontdekken. In de noodlottige bondgenootschap van het jonge Rijk met de Oostenrijkse schijnstaat lag de kiem van de Wereldoorlog, maar ook van de ineenstorting. Ik zal in het verloop van dit boek mij nog diepgaand met dit probleem moeten bezighouden. Het is voldoende hier alleen nog vast te stellen dat ik - op de keeper beschouwd - reeds in mijn prilste jeugd tot een inzicht kwam dat mij nimmer meer verliet, maar dat alleen steeds dieper werd: namelijk, dat de vernietiging van de Donau monarchie eerste vereiste is voor het bestaan van het Duitse bloed en ten tweede, dat nationaal gevoel in geen deel identiek is met dynastiek patriottisme, en voor alles: dat het Habsburgse Huis een ramp was voor de Duitse natie.
Ik had reeds destijds de consequenties van dit inzicht aanvaard en voelde warme liefde voor mijn Duits-Oostenrijkse geboortegrond en diepe haat tegen de Oostenrijkse staat.
De wijze van geschiedkundig denken die mij zo op school bijgebracht werd, heeft mij nooit meer verlaten. De wereldgeschiedenis werd mij steeds meer tot een onuitputtelijke bron van voorbeelden, welke mij leerde de historische gebeurtenissen van het heden - dus de politiek - te begrijpen. Dat was niet omdat ik haar op de schoolmanier wilde "leren", maar omdat ik inzag dat zij mij het leven kon leren begrijpen. Terwijl ik er dus zodoende reeds vroeg op politiek gebied een revolutionaire overtuiging op na hield, op kunstgebied kwam ik al spoedig tot een soortgelijke mening.
De hoofdstad van Opper-Oostenrijk bezat destijds een betrekkelijk goede schouwburg. Er werd ongeveer van alles gespeeld. Toen ik twaalf jaar oud was zag ik voor de eerste maal "Wilhelm Tell", weinige maanden daarna, de eerste opera van mijn leven, "Lohengrin". Met een slag was ik geboeid. Mijn jeugdige geestdrift voor de grote kunstenaar uit Bayreuth kende geen grenzen. Steeds weer voelde ik mij tot zijn werken aangetrokken en ik gevoel het nog heden als een bijzonder geluk, dat de gebrekkigheid der opvoering in deze provinciestad maakte, dat ik later, bij een betere bezetting, nog zoveel meer kon genieten. Dit alles maakte, vooral toen ik de vlegeljaren gepasseerd was (hetgeen zich bij mij niet dan zeer pijnlijk voltrok) dat mijn diepe tegenzin tegen een beroep, zoals mijn vader voor mij gekozen had, nog groter werd.
Steeds meer kwam ik tot de overtuiging, dat ik als ambtenaar nimmer gelukkig zou worden. Toen ik nu ook op de Hogere Burgerschool waardering voor mijn tekentalent vond, stond mijn besluit nog weer vaster. Daar konden geen smeekbeden en geen bedreigingen meer iets aan veranderen. Ik wilde schilder worden, en geen macht ter wereld zou een ambtenaar uit mij kunnen maken. Eigenaardig was het alleen, dat met het klimmen der jaren bij mij steeds meer belangstelling opkwam voor de bouwkunst. Ik hield dit destijds voor een vanzelfsprekende aanvulling op mijn schildertalent en verheugde mij innerlijk over deze verruiming van mijn horizon. Dat dit eens geheel anders zou uitkomen, vermoedde ik niet.
De kwestie van mijn beroep zou nu toch nog vlugger beslist worden dan ik vroeger had mogen verwachten. Op mijn vijftiende levensjaar verloor ik zeer plotseling mijn vader. Een beroerte trof de overigens nog zo krasse man, en beëindigde op pijnloze wijze zijn aards bestaan, ons allen in diepe smart dompelend. Datgene wat hij het diepst verlangd had, n.l. te kunnen zorgen dat zijn kind een bestaan verwierf en het zo een bittere ontwikkelingsgang als de zijne te kunnen besparen was hem, voor zijn gevoel, ongetwijfeld niet gelukt.
Alleen legde hij, al was het ook geheel onbewust, de kiemen voor een toekomst, die destijds hij noch ik hadden voorzien. Voorlopig veranderde er niets. Mijn moeder voelde zich wel verplicht mijn opvoeding verder te leiden naar de wens van mijn vader, d.w.z. mij verder te laten studeren voor de ambtenaarsloopbaan. Ik zelf was vaster dan ooit besloten, onder geen omstandigheden ambtenaar te worden. Hoe meer nu de leerstof en de ontwikkeling van de middelbare school een richting begon in te slaan, welke in strijd was met mijn ideaal, des te onverschilliger werd ik. Toen kwam mij plotseling een ziekte te hulp, en deze besliste in weinige weken over mijn toekomst en over het steeds weer opkomende conflict in het ouderlijk huis. Mijn zware longaandoening was voor de dokter aanleiding mijn moeder dringend aan te raden, mij later in geen geval op een kantoor te doen.
Mijn bezoek aan de Hogere Burgerschool moest eveneens voor minstens een jaar gestaakt. Datgene wat ik zo lang in stilte verlangd had, waarvoor ik altijd gestreden had, was nu door deze gebeurtenis ineens - bijna vanzelf - werkelijkheid geworden. Onder de indruk van mijn ziekte stemde moeder er eindelijk in toe, mij later van de Hogere Burgerschool af te nemen en de tekenacademie te laten bezoeken.
Dat waren gelukkige dagen, die mij bijna een schone droom toeschenen. Een droom zou het immers ook slecht blijken te zijn. Want twee jaar later maakte de dood van mijn moeder een plotseling einde aan alle mooie plannen. Het was het einde van een lange, pijnlijke ziekte, die van het begin af aan weinig uitzicht op genezing had geboden. Niettemin trof vooral deze slag mij ontzettend zwaar. Ik had respect gehad voor mijn vader, maar mijn moeder werkelijk liefgehad.
De nood en de harde werkelijkheid dwongen mij thans een snel besluit te nemen. De geringe geldmiddelen van mijn vader waren door de zware ziekte van moeder voor het grootste deel verbruikt; mijn wezen-pensioen was niet voldoende om ook maar te kunnen leven en dus was ik nu wel genoodzaakt om op de een of andere wijze zelf mijn brood te verdienen. Een koffer met kleding en ondergoed in de hand, met een onverwoestbare wil in het hart, zo reisde ik naar Wenen. Wat mijn vader 50 jaar geleden gelukt was, hoopte ook ik het noodlot af te dwingen; ook ik wilde "iets" worden, hoewel - in GEEN geval ambtenaar.
Toen mijn moeder stierf, had het noodlot in een opzicht reeds over mijn lot beslist. In de laatste maanden van haar leven was ik naar Wenen gereisd om toelatingsexamen te doen voor de academie. Met een dik pak tekeningen onder de arm, had ik mij destijds op weg begeven, overtuigd het examen spelenderwijze te kunnen afleggen. Op de Hogere Burgerschool was ik in tekenen verreweg de beste van de klas geweest; sinsdien had zich mijn vaardigheid nog buitengewoon sterk ontwikkeld, zodat ik trots en gelukkig was in het gevoel dat ik over mijn werk tevreden kon zijn en er dus maar het beste van hoopte.
Een enkel ding baarde mij dikwijls zorg: mijn schildertalent scheen te worden overtroffen door dat in het tekenen, vooral op bijna het gehele gebied der architectuur. Mijn belangstelling voor de bouwkunst zelf hield met deze ontwikkeling gelijke tred, en werd steeds groter. Dit proces werd nog veel versneld toen ik voor het eerst, als jongen van 16 jaar oud, een veertiendaags bezoek aan Wenen had gebracht. Ik reisde er heen om de schilderijengalerij van het Hofmuseum te bestuderen, maar had bijna uitsluitend oog voor het museumgebouw zelf. Ik liep gedurende die dagen van de vroege morgen tot de late avond van de ene bezienswaardigheid naar de andere, maar het waren altijd weer enkel bouwwerken die mij boeiden.
Urenlang kon ik voor de Opera staan, urenlang het parlementsgebouw bewonderen; de gehele Ringstrasze werkte op mij als een betovering uit duizend-en-een-nacht. Nu was ik dus voor de tweede maal in deze stad en wachtte met brandend ongeduld, maar ook met trots en zelfvertrouwen op de uitslag van mijn toelatingsexamen. Ik was ZO overtuigd dat het mij trof als een bliksemslag uit heldere Hemel toen men mij mededeelde dat ik afgewezen was. En toch was het zo. Toen ik mij aan de rector liet voorstellen en hem verzocht mij te willen zeggen om welke redenen ik niet tot de algemene schildersschool der Academie was toegelaten, verzekerde deze mij dat uit de door mij meegebrachte tekeningen zonneklaar mijn ongeschiktheid voor schilder bleek, maar dat mijn talent toch kennelijk op het gebied der architectuur lag. Voor mij kon nimmer de schildersschool, maar alleen de architectuurschool der Academie in aanmerking komen.
Dat ik tot dusverre nog geen bouwkundige school had bezocht, en evenmin enig onderricht in architectuur ontvangen had, kon men zich gewoon niet voorstellen. Terneergeslagen verliet ik Hansens prachtgebouw aan de Schillerplatz en was nu, voor de eerste maal in mijn jeugdig leven, oneens met mijzelf. Want wat ik over mijn aanleg had gehoord wierp plotseling een schel licht op een innerlijke tegenstrijdigheid, welke mij reeds lang had gehinderd, zonder dat ik er totnogtoe in was geslaagd haar vast te stellen. Na enkele dagen stond het ook bij mij zelf vast, dat ik bouwmeester zou moeten worden. Weliswaar was de weg buitengewoon moeilijk, want wat ik tot dusver op de Hogere Burgerschool had verzuimd, moest zich nu wel bitter wreken.
Om tot de architectuurschool der Academie te worden toegelaten, was het noodzakelijk dat men de Bouwtechnische School had doorlopen en om hiertoe te worden toegelaten, moest men in het bezit zijn van een einddiploma van een middelbare school. Dit alles ontbrak ten ene male. Naar menselijke berekening was dus de vervulling van mijn droom om kunstenaar te worden niet meer mogelijk.
Toen ik na de dood van mijn moeder voor de derde maal naar Wenen trok, en ditmaal voor vele jaren, had de intussen verstreken tijd mij mijn rust en vastberadenheid teruggeven. De vroegere koppigheid was weergekeerd en ik had mij mijn doel eens en vooral vast voor ogen gesteld. Ik wilde bouwmeester worden en tegenslagen zijn er niet op dat wij ervoor capituleren, maar opdat wij hen overwinnen. En ik wilde al deze hindernissen overwinnen, met steeds het voorbeeld van mijn vader voor ogen, die eens als de zoon van een arme dorpsschoenlapper was begonnen en zich tot rijksambtenaar had weten op te werken.
Dan waren de wapenen waarover ik kon beschikken toch al heel